Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond scoren minder goed op de arbeidsmarkt, vergeleken met mensen met een Nederlandse achtergrond. De arbeidsparticipatie van Marokkanen en Turken zijn het laagst. Waar komt dit vandaan en hoe ervaren onze buurlanden deze trend?
Socioloog Ruud Koopmans geeft aan dat naast discriminatie, voorkeur een belangrijke rol speelt. “Gelovige moslims zijn minder geneigd op een horecabaan te solliciteren en vooral islamitische vrouwen kiezen ervoor om thuis voor hun gezin te zorgen.” Daarnaast zouden 60 procent van moslimvrouwen zonder hoofddoek participeren op de arbeidsmarkt, tegenover 45 procent van de vrouwen met hoofddoek. Het vraagstuk ligt volgens Koopmans bij wat deze migranten het meeste beïnvloedt; hun conservatieve rolopvattingen of discriminatie?
Duits socioloog Frank Kalter geeft aan dat ook in Duitsland sprake is van deze ontwikkeling. Kinderen van Turkse gastarbeiders zouden werkzaam zijn in laaggeschoolde, minder goed betaalde beroepen, vergeleken met andere leeftijdsgenoten. “Al snel wordt gewezen op discriminatie. Maar een slechte beheersing van de Duitse taal en een homogeen netwerk speelt misschien wel een grotere rol.” De beperking in deze aspecten leiden tot het gevolg van een geringe participatie van deze groepen migranten op de arbeidsmarkt.”
